PDF PDF Print

Toelichting op de lezingen van de Adventszondagen

Bij de lezingen van de eerste Zondag van de Advent

Jaar B.Jesaja 63:16b-64,7; 1 Kor. 1:3-9; Marcus 13:33-37 

De profeet Jesaja geeft ons een gebed. Het volk is zich bewust dat het zich maar weinig aan God gelegen laat liggen en ziet de gevolgen ervan. Als God niet meetelt verliest het volk van God zijn levenskracht en gaat verloren: ballingschap en verlies van have en goed. De profeet ziet de ellende van zijn volk als een straf. Wij vinden dat niet zo gemakkelijk te accepteren en denken liever in consequenties. Als je een relatie verwaarloost verliest die relatie zijn kracht. Je bent er niet meer voor elkaar op dezelfde manier. Als God uit het denken en leven van het volk weggaat ziet hun leven er heel anders uit: verloren, zonder zin, verlaten. Verkeerde keuzes zijn snel gemaakt: in de tijd van de profeet ging het om verkeerde militaire bondgenootschappen, afgoderij en daarmee verzwakking van de solidariteit van het volk. In onze tijd gaat het om onverantwoord gebruik van de schepping en afgoderij van geld waardoor menselijke waardigheid in arbeid en verdeling van de welvaart in het geding is. Als God niet meedoet verliezen mensen het gevoel van een gemeenschappelijke afkomst, een zelfde Vader die ons tot broeders en zusters maakt. De vreemde wordt dan een bedreiging en discriminatie en sociale uitsluiting ligt op de loer. De profeet ziet dit en spreekt God opnieuw aan met mooie, troostrijke en verlokkende woorden. Als God zo is, kan Hij toch niet doof blijven. Maar God zoekt meer dan woorden, Hij zoekt harten.

Daarover gaat het in de tweede lezing waarin Paulus de christenen in de stad Korinthe prijst om hun openheid voor het Evangelie en hij doet de belofte dat God zelf hun kracht zal zijn om het ook vol te houden.

Volhouden! Dat is Jezus’ boodschap in het evangelie. Het is zo gemakkelijk om iets te beginnen en het is niet zo moeilijk om iets voor elkaar te krijgen als je in de schijnwerpers staat en iedereen je aanmoedigt. Maar als niemand aandacht aan je besteed en je evenmin beloond wordt voor je inspanning? Dat is de situatie waarin wij als christenen ons bevinden. Jezus is gekomen om midden in de tijd Gods eeuwigheid te brengen. Achter dat moment kunnen we niet meer terug. Er is iets nieuws in de geschiedenis gekomen dat doorwerkt tot op onze tijd en ook na de onze. Dat nieuwe is hoop en vertaalt zich in een opmerkelijk bewustzijn voor de mens en zijn waardigheid, vooral de mens die geen waardigheid heeft (arme, zieke en zondaar). Maar zonder het zicht op God kan het snel weer de andere kant op gaan. Dan verliest de liefde haar kracht en de hoop haar perspectief. In de parabel zegt Jezus het zo: je hebt gezag gekregen om te dienen. Om zelf in deze tijd God tijd te brengen: zodat het gezegd mag worden bij jullie: het koninkrijk van God is midden onder je.

Matthieu Wagemaker pr

bron: Liturgische handreikingen van de bisschoppelijke Adventsactie

De tweede zondag van de Advent
jaar B Jesaja 40:1-11; 2 Petrus 3:8-14; Marcus 1:1-8

De profeet Jesaia weet als geen ander door te dringen in het geheim van de hoop. Hoop betekent dat het je gegeven is om in iedere situatie Gods levengevende aanwezigheid te zien en zelfs in uiterste nood en onvrijheid je vrij en gezegend te weten. Dat weet Jesaia op een ontroerende manier te zeggen in de eerste zinnen van de lezing. Bedenk dat het volk van Israël in ballingschap is, dat ze geen rechten meer heeft, geen eigen heilige plaats, zonder toekomst lijkt. En in die situatie tilt Jesaia zijn volk op: dit is jullie God, zo is Hij nu. Nu, terwijl je het nog zo moeilijk hebt mag je rusten in Gods trouw en mag je door zijn ogen jouw situatie zien: de ongerechtigheid is vergeven.  Hij zal als een Herder zijn schapen weiden! De grote koningen die de joden in hun ballingschap zagen gingen niet zomaar op pad. Grote werkploegen gingen hen vooruit om de weg die ze moesten nemen zo comfortabel mogelijk te maken. Wat een inspanning voor een aardse vorst die even sterfelijk is als om het even welke andere mens! Dat beeld neemt Jesaia op en zegt: kijk wat die werklui moeten doen voor een aardse mens, neem een voorbeeld aan hun inspanning. Zet je zo in dat je de enige die echt deze moeite waard is dient, onze God. Span je in door Gods Woord te onderhouden en een rechtvaardige te zijn!

In de tweede Petrus brief wordt ons verteld dat ons als christenen een zelfde houding past. Alles gaat voorbij, van banken tot keizerrijken van megapolen tot industriële complexen om het in onze termen te zeggen. Denk niet dat de Heer Jezus ons vergeten heeft, integendeel. Er komt een moment waarop alles in het licht zal staan van zijn waarheid. Dat moment is als een vuur dat alles wat onwaar en onwaarachtig is verteert. Dan zal wat klein gehouden is groot gemaakt worden en wat zich groot waande door te staan op anderen terzijde geschoven worden. De wederkomst is geen reden voor angst, zegt de Petrusbrief ons. Integendeel, leef in overeenstemming met je geloof en laat de Heer je grootste liefde zijn. Zo verhaast je die dag! Tussen de wederkomst van de Heer en ons gelovig doen en laten is een mystiek verband. We doen ertoe. De mensgeworden God speelt geen spel met ons of zonder ons: we zijn bondgenoten in het Rijk dat gekomen is en komen gaat: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid zal wonen.

Die gerechtigheid is heeft stem gekregen in de prediking van Johannes de Doper, een profeet en godsman. Tussen Jezus en Johannes bestaat een grote intimiteit. Jezus heeft van Johannes geleerd en Johannes heeft in Jezus de diepste zin van zijn prediking ontdekt. Ze staan hier ook voor Oud en Nieuw Testament, voor Israël en de Kerk (het nieuwe godsvolk dat de God van Israël Vader mag noemen omwille van zijn geloof in Jezus). De ernstige God van het Oude Testament is de God die zijn eniggeboren Zoon zond om ons te overtuigen van zijn liefde, en de Zoon die ons vraagt om lief te hebben zoals Hij, heeft zijn Vader verstaan door niets af te doen van de Tora! Johannes vraagt het volk van God om zich innerlijk te verbinden met de Tora, met Gods Woord om zo de Messias te kunnen zien en van genade en Heilige Geest vervuld te worden. God geeft vertrouwen (genade) en wacht op dat van jou.

Matthieu Wagemaker pr

bron: Liturgische handreikingen van de bisschoppelijke Adventsactie

Bij de lezingen van de 3e zondag

Jaar B: Jesaja 35, 1-6a,10 - Jac 5,7-10 Matteus 11,2-11

Gedachten bij de lezingen

De lezingen van deze zondag brengen je terug bij de vraag: wie ben ik eigenlijk en wat doe ik met mijn leven? De profeet Jesaia geeft een antwoord dat Jezus zelf zal gebruiken om zich voor te stellen in Kapharaüm. Nu zijn wij Jezus niet, maar we zouden ons toch kunnen laten inspireren door wat we lezen. Stel je voor dat je kon zeggen: ik, ik ben iemand die me gezegend weet door God! Dat betekent voor mij dat ik een speciaal gevoel heb voor mensen die kwetsbaar zijn. Ik luister net zo lang tot ik mensen die hun levenszin kwijt zijn weer iets positiefs kan teruggeven van wat ik henzelf heb horen zeggen. Mensen mogen op verhaal komen bij me. Als ik iemand zie die gevangen zit in zichzelf, geen waarheid en geen leven kent, dan gaat me dat aan. Dan ga ik hem niet uit de weg maar deel met haar of hem wat ik aan positiviteit, aan geloof en hoop ontvangen heb. Ik durf het zelfs aan om een mens die kwaad heeft gedaan en waarvan ik zie dat hij op de weg van berouw is een hand te geven en met de grootsheid van God vergeving en vertrouwen te schenken. Zo laat ik gaan in vrijheid wie gevangen zijn. Mijn leven heeft zijn zin omdat ik in God geloof, omdat Hij voor mij niet een bijstaander in mijn leven is, maar de ziel en vreugde van mijn bestaan. Als ik alleen ben weet ik me niet eenzaam en elke dag word ik wakker en bid een woord van dank. Mijn leven is in Gods hand - niemand is van die belofte uitgezonderd. Zo leef ik, dit ben ik en daar sta ik voor! Mensen dichtbij en veraf zijn voor mij geen concurrenten meer, geen vreemden, maar vrienden.

Die geest vind je terug in de korte oproep die de apostel Paulus doet aan de christenen in de stad Tessalonica: houd je ver van kwaad, blust de Geest niet uit, sta open voor de gaven en talenten van je medemens en dan zul je God ervaren als degene die je vrede geeft. Hij is trouw!

Die trouwe God dient Johannes met zijn trouw. Hij laat zich door niets en niemand van die dienst afbrengen en Hij meet zich niets aan. Zo is Hij een waardige voorloper van de Heer Jezus en man waarvan Jezus zegt dat er niemand is geboren groter dan hij. Als God ertoe doet hoef je jezelf niet meer groot te maken en worden mensen elkaars broeders en zusters. Zo mogen leven is nieuw en schoon, is puur. Daar staat de doop voor. Wat Johannes niet kan geven is Gods vriendschap, dat kan Hij alleen zelf, de mensgeworden en menslievende biedt ons in Jezus die vriendschap aan. Hoe doet Hij dat dan vandaag? Door jou en mij die ontroerd en geraakt zijn door de liefde en vriendschap van een God zo groot en zo mensnabij. Door onze zo geheelde en vernieuwde mensenliefde heen, een liefde die de vreemde, de arme en zelfs de misdadiger niet buitensluit, biedt God zijn vriendschap aan wie Hem zoeken wil. Nooit gemakkelijk, maar altijd vervullend. Johannes verloor zijn leven, Jezus moet ervoor sterven aan het kruis en ook wij moeten sterven aan onszelf, aan wat van God niet in ons is. Maar wij mogen alles zien onder het licht van Pasen, van doortocht en bevrijding, zelfs  midden in december en vlak voor Kerstmis.